Mijn schuilplekje: als alles even te veel voelt

In deze blog geef ik ruimte aan gevoelens van afgelopen weekend die nog vastzitten in mijn lijf. Al dagen voel ik dat er iets stagneert. Mijn energie zit hoog: spanning in mijn schouders, een oppervlakkige ademhaling, en dat wiebelige gevoel dat er maar iets hoeft te gebeuren of ik moet huilen- wat maar niet gebeurt. Ik heb al van alles geprobeerd om het los te laten: sporten, focusing, ademhalingsoefeningen. Maar het wil niet zakken. Misschien helpt het om erover te schrijven, om woorden te geven aan wat vastzit, in de hoop dat het dan weer wat gaat bewegen.

Afgelopen weekend had ik het tweede opleidingsweekend van biodynamische psychologie. Het thema ging over energetische principes: er bestaat een opwaartse en een neerwaartse energiestroom. De neerwaartse beweging gaat over gronding, rust en stabiliteit. De opwaartse beweging over vitaliteit, activatie en levenslust. Neerwaartse energie kan voelbaar zijn als een diepe uitademing of momenten waarop je stevig op je voeten staat. Opwaartse energie herken je juist aan enthousiasme, inspiratie of zenuwen. Beide bewegingen hebben we nodig: onze energie gaat (als het goed is) de hele dag op en neer, tussen rust en actie.

We hebben allemaal bepaalde zones in ons lijf (onder andere onze knieën, bekken, middenrif, schouders, keel en kaken) die energie kunnen doorlaten of juist vasthouden. Denk maar aan een brok in je keel of gespannen schouders: dat is energie die even niet vrij kan stromen. Het is vaak een manier van ons lichaam om controle te houden of zichzelf te beschermen. Beweging ontstaat meestal zodra “het” echt gezien wordt. Ken je dat iemand je vraagt hoe het écht met je gaat, en er ineens tranen komen? Dat is energie die loskomt. En wat kan dat voelen als een opluchting.

Tijdens het weekend deden we oefeningen om bij onszelf te ervaren waar de energie stokt en waar ze vrij kan bewegen. Ook probeerden we dit bij elkaar te observeren. Beide oefeningen riepen spanning bij me op. Sommige segmenten voelden haast onveilig om bij stil te staan, vooral bij mijn middenrif. Ik voelde benauwdheid en duizeligheid, bijna alsof ik ging hyperventileren. De spanning trok door naar mijn keel, waar ik een enorme druk voelde. Daarbovenop vond ik het moeilijk om zo zichtbaar te zijn, om geobserveerd te worden. Alsof ik nog niet hyperbewust genoeg ben van mezelf.

Toen we aan het einde van het weekend bij elkaar een massage zouden doen (bedoeld om de energiestroom te verdelen) brak er iets in mij. Mijn grens was bereikt. Ik wilde niet meer aangeraakt worden en, sterker nog, eigenlijk ook geen onderdeel meer uitmaken van de groep. Mijn lichaam trok zich als vanzelf helemaal terug. Het ging niet over willen of niet willen; het gebeurde gewoon. Ik was niet meer in contact. Ik zat in mijn holletje.

De dagen daarna was ik uitgeput. Ik sliep meer dan tien uur per nacht. De lieve berichtjes van studiegenoten deden me goed, maar ik merkte dat de muren die omhoog waren gegaan, bleven staan. Ik had ergens, misschien wat naïef, niet verwacht dat de opleiding zo confronterend zou zijn. En daar vind ik dan weer iets van: was ik niet verder dan dit?

Nu, vier dagen later, voel ik het nog steeds. Alsof ik nog niet helemaal klaar ben om weer uit mijn schuilplekje te kruipen. Er is schaamte over dat mijn lijf blijkbaar zo werkt. Ondanks dat ik meestal met veel mildheid naar mezelf kijk, hoor ik nu ook die kritische stem die zegt dat ik me niet zo moet aanstellen. En misschien is dat juist de reden dat het nog niet vrijuit kan stromen.

Terwijl ik dit uitschrijf, merk ik dat er iets verandert. Mijn adem wordt dieper, mijn schouders zakken. Tranen rollen over mijn wangen. Ik voel verdriet om de versie van mezelf die zich niet veilig voelt, de versie van mij die zich ooit moest verstoppen om te kunnen overleven. Misschien is dit rouw: het toelaten van dat oude verdriet dat nu eindelijk ruimte krijgt.

Tegelijkertijd voel ik ook iets anders: bewondering. Mijn lichaam doet precies wat het moet doen. Het sluit niet af om te straffen, maar om te beschermen. Dat is niet falen, maar juist een wonderbaarlijk mechanisme dat voorkomt dat ik over mijn grens ga. Blijkbaar moet ik af en toe toestaan dat mijn systeem even dicht wil. Zodat ik daarna, stap voor stap, opnieuw tevoorschijn kan komen.

Herken jij dat: dat je lichaam soms eerder weet dan jij dat het tijd is om te schuilen? Hoe ga jij hiermee om? Laat een reactie achter of stuur me een berichtje.

Deel je gedachten